8 november 2007

 

Contact:

Ad M. van den Berg,

Kernfysisch Versneller Instituut,

Rijksuniversiteit Groningen,

Landelijke vertegenwoordiger van de Pierre Auger samenwerkingsverband

E: berg@kvi.nl

T: 050-3633629

 

Photos as well as press information from the countries
participating in the Auger Project may be found at:

http://www.auger.org/media

 

HIER VOLGT EEN NEDERLANDSE VERTALING VAN HET ENGELSE PERSBERICHT DAT DE PIERRE AUGER COLLABORATIE ZAL LATEN UITGAAN OP 8 NOVEMBER 2007; DE ENGELSE TEKST IS IN DE APPENDIX BIJGEVOEGD

 

Auger Observatorium begint een mysterie te ontrafelen, legt een verband tussen de hoogst-energetische kosmische stralen en superzware zwarte gaten

 

MALARGÜE, Argentinië

 

Wetenschappers van het Pierre Auger samenwerkingsverband kondigden vandaag (8 november 2007) aan, dat de actieve kern van sterrenstelsels (in het Engels Active Galactic Nuclei: AGN) de meest waarschijnlijke kandidaat zijn voor de bron van de hoogenergetische kosmische stralen die de Aarde raken. Door gebruik te maken van het Pierre Auger Observatorium in Argentinië, het grootste waarneemcentrum voor kosmische stralen in de wereld, vond een team van wetenschappers van 17 landen, dat de bronnen van de kosmische stralen met de hoogste energie niet gelijkmatig verdeeld zijn over de hemel. In plaats daarvan, laten de resultaten van het Auger observatorium zien, dat er een verband bestaat tussen de oorsprong van deze geheimzinnige deeltjes en nabijgelegen sterrenstelsels, die een actieve kern hebben. Deze resultaten zullen verschijnen in de uitgave van het weekblad Science van 9 november.

 

Men veronderstelt dat de enorme hoeveelheid energie, die vrijkomt in de actieve kernen van sterrenstelsels, afkomstig is van superzware zwarte gaten die grote hoeveelheden materie verslinden. Deze kernen werden al lang beschouwd als de plaats waar deeltjes met een extreem hoge energie kunnen ontstaan. Zij slikken gas, stof, en andere materie van hun eigen sterrenstelsel op en spugen vervolgens deeltjes en energie weer uit. Hoewel de meeste sterrenstelsels een zwart gat in hun centrum hebben, heeft slechts een klein gedeelte van de sterrenstelsels een actieve kern (AGN). Het is nog een raadsel hoe AGNs deeltjes kunnen versnellen tot een energie, die 100 miljoen keer hoger is dan verkregen kan worden bij de krachtigste deeltjesversneller ter wereld.

 

"Wij hebben een grote stap voorwaarts gedaan om een oplossing te vinden voor het mysterie rond de aard en oorsprong van hoogenergetische kosmische stralen, waarvoor de Franse fysicus Pierre Auger in 1938 baanbrekend werk heeft verricht", vertelt Nobelprijs winnaar James Cronin, van de universiteit van Chicago, die samen met Alan Watson van de universiteit van Leeds met het idee kwam voor het Pierre Auger Observatorium. "Wij zien op het zuidelijke halfrond, dat de richting waaruit de hoogst-energetische kosmische stralen komen, ongelijkmatig is verdeeld over de hemel. Dit is een uiterst belangrijke ontdekking. In de komende jaren zullen onze gegevens ons in staat stellen om de bronnen van deze kosmische stralen nauwkeurig te identificeren en om te gaan begrijpen hoe zij in staat zijn om deze deeltjes te versnellen.”

 

Kosmische stralen zijn protonen en atoomkernen die vrijwel met de snelheid van het licht door het heelal vliegen. Wanneer zo’n deeltje binnendringt in de bovenste lagen van de atmosfeer van onze planeet ontstaat er een douche aan secundaire deeltjes. Wanneer uiteindelijk de oppervlakte van de Aarde wordt bereikt, kan deze douche zich uitgespreid hebben over tientallen vierkante kilometers.

 

"Dit resultaat opent een nieuw venster naar het heelal en vormt het begin van sterrenkunde met kosmische stralen," vertelt Watson, een woordvoerder van het Pierre Auger samenwerkingsverband. Als wij meer en meer gegevens verzamelen, kunnen wij individuele sterrenstelsels bestuderen op een gedetailleerde en een volledig nieuwe manier. Zoals wij hadden voorzien, zal ons observatorium een nieuw beeld geven van het heelal. En dat beeld is dan mede gebaseerd op kosmische stralen, naast het beeld dat men met behulp van bijvoorbeeld lichtstralen kan maken.”

 

Het Pierre Auger Observatorium neemt deze douches aan secundaire deeltjes waar met behulp van 1600 deeltjes detectoren. Deze detectoren staan met een onderlinge afstand van 1,5 kilometer verspreid over een oppervlakte van 3.000 vierkante kilometer in de Argentijnse pampa. Daarnaast worden vierentwintig speciaal ontworpen optische telescopen gebruikt om het zeer zwakke fluorescentielicht waar te nemen, dat ontstaat in de atmosfeer wanneer de douche aan deeltjes zijn spoor naar het oppervlakte van de Aarde trekt. De combinatie van de 1600 deeltjes detectoren met de vierentwintig fluorescentie telescopen maakt het observatorium tot een uitzonderlijk krachtig instrument voor dit soort onderzoek.

 

Hoewel het observatorium bijna een miljoen douches van kosmische stralen heeft geregistreerd, kunnen alleen de zeldzame, hoogstenergetische kosmische stralen gebruikt worden om een nauwkeurig verband te leggen met de plaats waar zij vandaan zijn gekomen. De wetenschappers van Auger hebben tot dusver 81 kosmische stralen waargenomen met een energie boven 4 x1019 elektronenvolts, ofwel 40 EeV. Dit is het grootste aantal waargenomen kosmische stralen met een energie boven 40 EeV, vergeleken met de resultaten van ieder ander observatorium voor kosmische stralen. Bij deze ultrahoge energieën is de onzekerheid in de richting waaruit de kosmische straal aankwam, slechts een paar graden. Dit maakt het voor wetenschappers mogelijk om de plaats van de kosmische bron van het deeltje vast te leggen.

 

Het Auger samenwerkingsverband ontdekte dat de aankomstrichting van de 27 stralen met de allerhoogste energie (meer dan 57 EeV) niet gelijkmatig verdeeld is over de hemel. Door de samenhang te onderzoeken tussen de richting waar deze kosmische stralen vandaan komen met bekende plaatsen van 381 sterrenstelsels met een actieve kern (AGNs), vond het samenwerkingsverband dat de gebeurtenissen goed correleerden met de plaatsen van AGNs in sommige nabijgelegen sterrenstelsels, zoals Centaurus A.

 

“Kosmische stralen met een relatief lage energie zijn overvloedig en komen uit alle richtingen, meestal van binnen ons eigen Melkwegstelsel. Tot nu toe is de zon het enige object, waarvan met zekerheid kan worden vastgesteld dat het een bron van kosmische stralen is. Kosmische stralen uit andere voor de hand liggende bronnen, zoals exploderende sterren, volgen kronkelende wegen door de ruimte, zodat wanneer zij de Aarde bereiken het onmogelijk is om hun oorsprong vast te stellen. Maar wanneer men kijkt naar de hoogstenergetische kosmische stralen, afkomstig van de meest gewelddadige bronnen, dan kan men ze rechtstreeks terugvolgen naar hun oorsprong. De uitdaging is nu om voldoende van deze kosmische kogels waar te nemen om de processen te begrijpen die hen de ruimte in slingeren” vertelt Paul Mantsch, projectleider van het Pierre Auger Observatorium.

 

Kosmische stralen met een energie van meer dan ongeveer 60 EeV verliezen energie tijdens botsingen met de kosmische microgolf achtergrondstraling, een overblijfsel van de Oerknal die overal in het heelal aanwezig is. Maar kosmische stralen uit nabijgelegen sterrenstelsels hebben een kleine kans om dergelijke botsingen te ondergaan op hun relatief korte reis naar de Aarde en behouden dus hun hoge energie. Wetenschappers van Auger vonden dat de meeste van de 27 stralen met een energie van meer dan 57 EeV afkomstig zijn van plaatsen aan de hemel, waar de meest dichtbijgelegen AGNs liggen. Dit is binnen een afstand van een paar honderd miljoen lichtjaar van de Aarde.

 

Wetenschappers denken dat de meeste sterrenstelsels zwarte gaten in hun kern bevatten. Deze zwarte gaten hebben een massa, die een miljoen tot een paar miljard keer de massa van onze zon is. Het zwarte gat in het centrum van onze Melkweg weegt ongeveer 3 miljoen zonnemassa's, maar het is geen AGN. Sterrenstelsels die wel een AGN hebben worden toegeschreven aan objecten, die gebotst zijn met een ander sterrenstelsel, of die in de afgelopen honderd miljoen jaar aan een andere enorme verstoring zijn blootgesteld. De AGN verzwelgt alle materie die op zijn weg komt en zendt abnormale hoeveelheden straling uit. Het resultaat van Auger wijst erop dat AGNs ook de hoogst-energetische deeltjes van het heelal produceren.

 

Sterrenkunde met behulp van kosmische stralen is uitdagend, omdat kosmische stralen met een relatief lage energie geen betrouwbare informatie geven over de plaats waar hun bronnen zich bevinden. Wanneer zij door de ruimte reizen, worden zij afgebogen door galactische en intergalactische magnetische gebieden, wat tot "onscherpe" beelden zonder resolutie leidt. De hoogst-energetische deeltjes volgen echter vrijwel een rechte lijn vanaf hun oorsprong, aangezien zij door de magnetische velden nauwelijks beïnvloed worden. Jammer genoeg is de kans dat zij de Aarde raken zeer klein, slechts ongeveer één gebeurtenis per vierkante kilometer per 40 jaar.

 

Vanwege zijn afmetingen kan het Pierre Auger Observatorium jaarlijks ongeveer 30 stralen met een ultra-hoge energie waarnemen. Het Auger samenwerkingsverband ontwikkelt plannen voor een tweede, groter observatorium in Colorado, zodat de volledige hemel waargenomen kan worden. En hierdoor zal het aantal waargenomen gebeurtenissen per jaar met een ultra-hoge energie meer dan verdubbeld kunnen worden.

 

"Onze huidige resultaten laten de veelbelovende toekomst zien van sterrenkunde met kosmische stralen” vertelt de medewoordvoerder van Auger, Giorgio Matthiae, van de universiteit van Rome. "Tot dusver hebben wij 1400 van de 1600 deeltjes detectoren van het Pierre Auger Observatorium in Argentinië geïnstalleerd. Een observatorium op het noordelijke halfrond zou het mogelijk maken om meer sterrenstelsels en zwarte gaten te bekijken, waardoor de gevoeligheid van ons observatorium wordt verhoogd. Er zijn namelijk meer nabijgelegen AGNs te zien op het noordelijke halfrond dan op het zuidelijke halfrond.”

 

Het Pierre Auger Observatorium wordt gebouwd door een team van meer dan 370 wetenschappers en ingenieurs van 17 landen.

 

“Het samenwerkingsverband is een echte internationale onderneming, waarbij geen land meer dan 25 percent heeft bijgedragen aan de bouwkosten van USD 54 miljoen”, vertelt Danilo Zavrtanik, van de universiteit van Nova Gorica en voorzitter van het bestuur van het samenwerkingsverband. De namen van al de onderzoeksfinancieringsinstellingen, die hebben bijgedragen aan het Pierre Auger Observatorium, evenals de namen van de deelnemende instituten zijn hieronder vermeld.

 

De eerste spade voor het Pierre Auger Observatorium op het zuidelijke halfrond ging op 17 maart 1999 in de grond. En wel in de provincie Mendoza in Argentinië. Na een periode, waarin detectoren werden gebouwd, geplaatst, en in gebruik genomen, kon in januari 2004 begonnen worden met het wetenschappelijke onderzoeksprogramma.

 

"Argentinië is zeer verheugd om als gastland op te kunnen treden en neemt deel aan deze unieke wetenschappelijke inspanningen," vertelt Alberto Etchegoyen, van het Tandar laboratorium in Buenos Aires, en woordvoerder voor het observatorium op het zuidelijke halfrond. "Als ik nu terugkijk naar de jaren van inspanning, maar ook opwinding, overvalt mij een gevoel van dankbaarheid en eerbied voor alle leden van het samenwerkingsverband, die gelet hebben op ieder klein detail, wat uiteindelijk deze publicatie van vandaag mogelijk heeft gemaakt."

 

Het observatorium is genoemd naar de Franse wetenschapper Pierre Victor Auger (1899-1993), die in 1938 de eerste was om de uitgebreide douches aan secundaire deeltjes waar te nemen. Deze douches ontstaan door de wisselwerking van hoogenergetische kosmische stralen met atomen en moleculen in de atmosfeer van de Aarde.
Notes for editors:

Auger Observatory funding agencies (by country):

International

ALFA-EC / HELEN

UNESCO

Argentina

Comisión Nacional de Energía Atómica

Fundación Antorchas

Gobierno De La Provincia de Mendoza

Municipalidad de Malargüe

Australia

Australian Research Council

Brazil

Conselho Nacional de Desenvolvimento Científico e Tecnológico (CNPq)

Financiadora de Estudos e Projetos (FINEP)

Fundação de Amparo à Pesquisa do Estado de Rio de Janeiro (FAPERJ)

Fundação de Amparo à Pesquisa do Estado de São Paulo (FAPESP)

Ministério de Ciência e Tecnologia (MCT)

Czech Republic

Ministry of Education, Youth and Sports of the Czech Republic

France

Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS)

Conseil Régional Ile-de-France

Département  Physique Nucléaire et Corpusculaire (PNC-IN2P3/CNRS)

Département Sciences de l'Univers (SDU-INSU/CNRS)

Germany

Bundesministerium für Bildung und Forschung (BMBF)

Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG)

Finanzministerium Baden-Württemberg

Helmholtz-Gemeinschaft Deutscher Forschungszentren (HGF)

Ministerium für Wissenschaft und Forschung, Nordrhein Westfalen

Ministerium für Wissenschaft, Forschung und Kunst, Baden-Württemberg

Italy

Istituto Nazionale di Fisica Nucleare (INFN)

Ministero dell'Istruzione, dell'Università e della Ricerca (MIUR)

Mexico

Consejo Nacional de Ciencia y Tecnología (CONACYT)

Netherlands

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM)

Poland

Ministry of Science and Higher Education

Portugal

Fundação para a Ciência e a Tecnologia

Slovenia

Ministry for Higher Education, Science, and Technology

Slovenian Research Agency

Spain

Comunidad de Madrid

Consejería de Educacíon de la Comunidad de Castilla La Mancha

FEDER funds

Ministerio de Educacíon y Ciencia

Xunta de Galicia

United Kingdom

Science and Technology Facilities Council

United States

Department of Energy

Grainger Foundation

National Science Foundation

 

 

Auger Observatory collaborating institutions (by country):

Argentina

Centro Atómico Bariloche (CNEA); Instituto Balseiro (CNEA & UNCuyo); CONICET

Instituto de Astronomía y Física del Espacio (CONICET)

Laboratorio Tandar (CNEA); CONICET; Univ. Tec. Nac. (Reg. Buenos Aires)

Pierre Auger Southern Observatory

Universidad Nacional de la Plata; IFLP/CONICET; Univ. Nac. de Buenos Aires

Universidad Tecnológica Nacional - Regionales Mendoza y San Rafael

 

Australia

University of Adelaide

 

Bolivia

Universidad Catolica de Bolivia

Universidad Mayor de San Andrés

 

Brazil

Centro Brasileiro de Pesquisas Fisicas (CBPF)

Pontifícia Universidade Católica, Rio de Janeiro

Universidade de Sao Paulo, Inst. de Fisica

Universidade Estadual de Campinas (UNICAMP)

Universidade Estadual de Feira de Santana (UEFS)

Universidade Estadual do Sudoeste da Bahia (UESB)

Universidade Federal da Bahia

Universidade Federal do ABC (UFABC)

Universidade Federal do Rio de Janeiro (UFRJ)

Universidade Federal Fluminense

 

Czech Republic

Charles University Prague, Institute of Particle and Nuclear Physics

Institute of Physics (FZU) of the Academy of Sciences of the Czech Republic

 

France

Institut de Physique Nucléaire, Orsay (IPNO)

Laboratoire AstroParticule et Cosmologie Université Paris VII

Laboratoire de l'Accélérateur Linéaire (LAL), Orsay

Laboratoire de Physique Nucléaire et de Hautes Energies (LPNHE), Université Paris 6

Laboratoire de Physique Subatomique et de Cosmologie (LPSC) - Grenoble

 

Germany

Bergische Universität Wuppertal

Forschungszentrum Karlsruhe - Institut für Kernphysik

Forschungszentrum Karlsruhe - Institut für Prozessdatenverarbeitung und Elektronik

Max-Planck-Institut für Radioastronomie and Universität Bonn

Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule (RWTH) Aachen

Universität Karlsruhe (TH) - Institut für Experimentelle Kernphysik (IEKP)

Universität Siegen

 

Italy

Dipartimento di Fisica dell'Università and INFN, L'Aquila

Dipartimento di Fisica dell'Università and Sezione INFN, Milano

Dipartimento di Fisica dell'Università di Napoli “Federico II” and Sezione INFN, Napoli

Dipartimento di Fisica dell'Università di Roma “Tor Vergata” and Sezione INFN Roma II

Dipartimento di Fisica e Astronomia dell'Università di Catania & Sezione INFN, Catania

Dipartimento di Fisica Sperimentale dell'Università and Sezione INFN, Torino

Dipartimento di Fisica, Università del Salento and Sezione INFN

Istituto di Fisica dello Spazio Interplanetario (INAF), Dipartimento di Fisica Generale dell'Università and Sezione INFN, Torino

Laboratori Nazionali del Gran Sasso, INFN

Osservatorio Astrofisico di Arcetri

 

Mexico

Benemérita Universidad Autónoma de Puebla (BUAP)

Centro de Investigación y de Estudios Avanzados del IPN (CINVESTAV)

Universidad Michoacana de San Nicolás de Hidalgo

Universidad Nacional Autónoma de México

 

Netherlands

Institute for Mathematics, Astrophysics and Particle Physics (IMAPP), Radboud Universiteit

Kernfysisch Versneller Instituut (KVI), Rijksuniversiteit Groningen

Nationaal Instituut voor Kernfysica en Hoge Energie Fysica (Nikhef)

Stichting Astronomisch Onderzoek in Nederland (ASTRON), Dwingeloo

 

Poland

Henryk Niewodniczanski Institute of Nuclear Physics, Polish Academy of Sciences

University of Łódź

 

Portugal

Laboratory of Instrumentation and Experimental Particle Physics (LIP)

 

Slovenia

University of Nova Gorica

 

Spain

Instituto de Física Corpuscular, CSIC-Universitat de València

Universidad Complutense de Madrid

Universidad de Alcalá de Henares

Universidad de Santiago de Compostela

University of Granada

 

United Kingdom

Oxford University

University of Leeds, School of Physics & Astronomy

 

United States

Argonne National Laboratory

Case Western Reserve University

Colorado School of Mines

Colorado State University, Fort Collins

Colorado State University, Pueblo

Columbia University

Fermi National Accelerator Laboratory

Louisiana State University

Michigan Technological University

New York University

Northeastern University

Ohio State University

Pennsylvania State University

Southern University

University of California, Los Angeles

University of Chicago

University of Colorado

University of Hawaii

University of Minnesota

University of Nebraska

University of New Mexico

University of Utah

University of Wisconsin-Madison

University of Wisconsin-Milwaukee

 

Vietnam

Institute of Nuclear Science and Technology of Hanoi (INST)